terug naar de overzichtspagina

NOMINATIE 26
(uit: Een vliegtuigsmokkel met verrassingen)


 
De „Mededeling voor Indringers” op het bordje aan de dennestam bleek al meteen geen loze bluf te zijn geweest, want alles wat voor een inbreker van enige waarde had kunnen zijn, was uit het huis verwijderd. De benedenverdieping bevatte één grote woonkamer die de hele zijkant van het huis besloeg. Er was een uit bakstenen gemetselde open haard, waarin een massa pakpapier en stukken plank lagen opgestapeld. Er was een keuken, die hoofdzakelijk was uitgerust met lege, bestofte flessen, lege conservenblikken, en wat rommel zoals gebruikte waslappen, een halfkale stoffer en een roestig aanveegblik. De tafel had men er gelaten, maar die was van wit hout met één gammele poot, door middel van een aangetimmerd stukje plank gerepareerd. Het leek niet waarschijnlijk dat een inbreker de moeite zou nemen, daarmede door het bos op sjouw te gaan. De derde kamer in de benedenverdieping was duidelijk eens gebruikt als schilderwerkplaats. Er was een hoog raam ingemaakt aan de noordkant, en de vloer lag overdekt met lege verftubes, hardgeworden kwasten, lappen linnen en stukken lat. Overal rook het kil en vochtig. Jan was in de woonkamer achter- gebleven, waar hij plat op de vloer was gaan zitten met het  vaatje tussen zijn benen. Het enige bruikbare stuk huisraad dat in dit vertrek was achtergebleven, bleek te zijn een oude petroleumlamp, met twee einden ijzerdraad aan een plafond- balk opgehangen. Er zat nog wat brandstof in en dus had Jan licht voor zijn technisch onderzoek, terwijl Arie en Bob met zaklantarens de rest van het huis nasnuffelden. De slaapkamers waren boven — drie in getal. Zij bevatten geen bedden, maar getimmerde kribben die aan de vloer waren vastgespijkerd. Ook de kasten waren deel van het huis zelf. Arie en Bob kwamen juist weer de trap afgeklost, toen Jan's stem ongeduldig uit de woonkamer kwam galmen:
„Zeg — is er nergens wat oud gereedschap te vinden?”
„Wat voor gereedschap? Ze hebben de boel wel grondig leeggehaald.”
„Heb je wat aan een paar roestige spijkers?” 
Jan knorde wat en wandelde de keuken in:
„Kom eens hier met jullie lantarens. Meestal blijft er in de benedenkastjes wel wat liggen.”
En hij had gelijk — zoals Jan doorgaans gelijk had op het punt van geld en op het punt van technische zaken. Een van de  kastjes onder de aanrecht had blijkbaar eens gediend om er het huishoudelijk gereedschap in op te bergen. Er stonden twee roestige koekblikken, half gevuld met de bekende, waardeloze rommel van spijkers, eindjes draad, schroeven en moeren-zonder-bout. Maar op de houten vloer lagen een afgebroken hamersteel, een gebroken schaar en een tweetal ijzerzaagjes, waaruit wat tanden ontbraken. Jan dook triomfantelijk met beide zaagjes op.
„Asjeblief! Twee ouwe ijzerzagen! Net wat we nodig hebben.”     Arie en Bob beschenen de dertig centimeter lange, roestige dingen met hun lantarens.
„Moet je dáár zo mee gaan zagen? Als er geen beugel aan zit,    kun je er geen kracht mee zetten.”
„O, niet? Zal je meevallen. Pak die tafel eens op.”
Zij sleepten de keukentafel naar de woonkamer. Jan legde er    het vaatje (op zijn kant) op en Bob hield het vast, terwijl dikke Arie de brand stak in de massa papier in de open haard. De vlammen laaiden hoog op en het hout begon knetterend te branden. Achter zich hoorde Arie hoe Jan tegen Bob praatte:  „Hou jij het ding nou zo vast. Als ik maar eenmaal een sleuf        in de zijkant gezaagd heb, kan ik mijn zaagje er haaks in steken en de spleet langer maken. Daarna kunnen we met zijn tweeën zagen .Het gaat heus makkelijker dan jij denkt.”
Arie liep naar de schilderswerkplaats en kwam terug met enkele armen vol stukken lat. Het vuur in de haard laaide nu fel, en de weerschijn van de woeste vlammengloed danste op het gezicht  van Jan, die ingespannen stond te zagen, met beide handen het scherp getande staafje hanterend, terwijl Bob het vaatje vast-hield. Arie keek met belangstelling toe:
„Denk je dat het lukt?”
Jan antwoordde kort:
„Dat zie je toch?”

terug naar de overzichtspagina volgende