terug naar de overzichtspagina

NOMINATIE 31
(uit: Hoog spel in Hong-Kong)


 
Dat het Bob en Jan uren zou kosten om hun vijf schertskisten, gevuld met rommel, in orde te maken, daarop was Arie voorbereid. Hij bleef dus in zijn holletje zitten terwijl om hem heen de schaduwen langzaam uitrekten en zijwaarts gleden. De dikkerd wenste dat hij iets om te lezen bij zich had gestoken, want na het eerste uur was hij op de betonwand van de loods tegenover hem uitgekeken geraakt. De prikkelende lucht van teer maakte hem nu eens hongerig en de vette walm van olie dan weer vaag misselijk. Bovendien was het bloed- en bloedheet. Het werd vier uur . . . vijf uur. Overal rondom de haven loeiden fluiten en sirenes op fabrieken, werven en schepen. De werkploeg op het schip werd afgelost door een andere. Nu en dan wierp een passerende dokwerker een korte blik op de dikke jongen die met het hoofd voorover gezakt deed, alsof hij sliep, maar niemand vroeg hem iets.
Om half zes deden Arie's beide bipshelften zo verschrikkelijk pijn van het alsmaar zitten op de betonnen kadebodem, dat hij opstond en verder de kade opwandelde, helemaal naar het einde. De pier eindigde daar botweg met een witgeverfd, ijzeren hek en daarachter lag de gigantische kom van de Golden Gate met in de verte de spinragfijne kabels van de geweldige brugoverspanning.  De zon was nu een brandrode vuurbal. Vanuit zee kwam een briesje aanstrijken dat het water oprimpelde in kabbeltjes die duizenden zonneflitsen omhoog kaatsten. Vuile of fris geschilderde schepen zakten westwaarts af, naar de oceaan toe, nu en dan een stoot op hun fluit gevend die dreunend galmde als hun geluidsgolf terugkaatste van een scheepswand of een loods. Arie bleef een tijdje over dat hek hangen, kijkend naar de steeds lager zakkende zon. Toen keerde hij weer om.
Kwart over zes. Arie kroop weer in zijn holletje en begon te rekenen. Zelfs al wàren ze in een extra-luie bui geweest, dan hadden Jan en Bob toch nu die vijf kisten al lang klaar kunnen hebben! Arie hield het niet langer meer uit en begon naar het begin van de kade te lopen. Hij stond een tijdje bij het hek uit te kijken naar de tegen de heuvels opgebouwde stad, waarboven de wolken nu rose en gouden tinten kregen. De zon stond nu definitief in de fik. De onderrand ervan raakte juist de waterspiegel toen Arie weer eens terugwandelend van de Nancy May, een welbekende gestalte haastig vanuit de richting van de stad over de kade zag marcheren. Het was inderdaad Jan.

terug naar de overzichtspagina volgende