terug naar de overzichtspagina

NOMINATIE 22
(uit: Pyjama-rel in Panama)

De taxi verliet de rommelige buitenwijken van MexicoCity en zwenkte de weg op die via Cuernavaca loopt naar Acapulco, aan de kust van de Stille Oceaan. Wel enigszins tot hun verbazing was deze weg een volmaakte moderne autostrada, die niet onder deed voor de superwegen van Noord-Amerika. Een wegwijzer deelde mede:
     Cuernavaca  46 mijl
     Acapulco 282 mijl
De hete, droge lucht van de Mexicaanse hoogvlakte woei naar binnen door de open taxiramen en was heerlijk verkoelend na de hitte in de stad.
„Hei zeg!” begon Arie, even later. „We zijn hier al een aardig eind buiten de stad. Waar is dat restaurant ergens?”
„Nog even verder, senor. Ziet u die bergen daar links?  Daar is het tegenaan gebouwd. Bij een meertje.”
„Een meertje!” zei Bob. „Geef me even de kans en ik laat me er met kleren en al in vallen.”
Achter hen aan zoefde de oude, stoffige Plymouth met Kogelhoofd en Flaphoed. Dat volgen deden die twee heel handig: ver achterblijvend op einden weg waar tòch geen zijweg op uitkwam en hen weer inhalend als er een kruispunt verwacht werd. En toen de taxi met Bob en Arie eindelijk van de cementbaan af zwenkte en een smaller gruispad opreed, dat naar het restaurant voerde, bleef de Plymouth langs de weg staan. Dat gruispad leidde nu een-maal nergens anders heen.
„Da’s een bak!” zei Flaphoed, dat kledingstuk achterover  op zijn schedel schuivend. Hij leunde achterover in de zitting en haalde een sigaret uit een verfrommeld pakje. „Wat moeten die twee apen hier uitvoeren?”
„Een stukkie eten. Of zwemmen”, antwoordde Kogelhoofd kortaf. „Laten we eerst maar es afwachten of die taxi leeg terugkomt. Dan weten we meer.”
Zes minuten later kwam de taxi terug. Zonder Bob of Arie. „Da’s dat”, zei Kogelhoofd. „Laten we deze wagen maar ergens langs de weg zetten en te voet verder gaan verkennen. Hoe minder die apen deze Plymouth zien, hoe beter.”

Intussen hadden Arie en Bob al de grootste pret, want wat Arie nóóit had durven hopen, bleek wáár: de eigenaar van het aanbevolen restaurant was een rasechte Hollander. Hij was bovendien een jonge Hollander. En niet alleen dàt: hij had niet zo maar een gewoon restaurant, maar een motel, volslagen modern, met alles erom en erbij om het comfortabel en aantrekkelijk te maken. Een motel is een Amerikaanse uitvinding en het woord is ontstaan uit een samentrekking van „motor” en „hotel”. Het is een hotel  voor automobilisten en de typische eigenaardigheid ervan is, dat zulk een motel geen kamers heeft, maar een reeks van apart staande, kleine huisjes. Dat zijn een soort bungalows van verschillende grootte, heel eenvoudig ingericht, met een paar bedden en een douchecel of badkamer. Je komt aanrijden, zet je auto neer voor het hoofdgebouw, krijgt de sleutel van een van die huisjes en verder ben je je eigen baas, op het betalen na. Maar dit motel had nog een hoop meer. De gruisweg die erheen voerde, liep schuin tegen een helling omhoog, maakte een plotselinge draai om een groep palmen heen en dan reed je recht op het hoofdgebouw aan, dat lichtblauw van kleur was en waarop in felrode letters geschilderd stond:

BEVERLEY HILLS MOTEL

„Beverley Hills” is de streek in Californië nabij Hollywood, waar nagenoeg alle filmsterren wonen en deze naam was blijkbaar gekozen om goed uit te laten komen wat voor soort motel hier bedoeld werd. Het lichtblauwe hoofdgebouw was van beton, met vlaggen op de hoeken en een plat dak, met een soort van scheepsverschansing eromheen. Op dat dak was blijkbaar een daktuin, met tafeltjes, waar nu, op de hete middag, niemand te zien was, maar waar het in de avond, onder de sterren, heel prettig zitten moest zijn. Links op gelijkvloerse hoogte was een soort zaal met openschuivende glasdeuren en daaruit kwam het gedaver van een juke-box die een rock-and-roll-plaat dreunde. Een paar jongens en meisjes (blijkbaar kinderen van logerende toeristen) waren daar aan het dansen. Rechts van de ingang was het restaurant, ook met glaswanden en de helft ervan bestond uit een lange, witbe-tegelde bar, zoals in moderne cafetaria’s.
„Ziet er allemaal niet gek uit”, vond Bob, het geval bekijkend terwijl Arie de taxi betaalde. Zo gauw de chauffeur wegreed, liepen zij op de ingang toe: een gewelfde betonnen poort waar je met een auto in kon rijden om dan terecht te komen op een binnenplaats met een fontein en  een massa bloemen, waaromheen de logeerhuisjes in rijen waren aangebracht. Links in die poort was een soort kantoor en toen zij in de schaduw van de overwelving stapten, kwam daaruit een jongeman te voorschijn van een jaar of dertig, in een witflanellen broek en een blauwe trui met korte mouwen.

terug naar de overzichtspagina volgende