Nieuwsbrief 24  © februari 2004 - 12e jaargang nr. 1 

Amok met een Amerikaan
door Henk Bergman

Gloeiende glorietoeters! Wie regelmatig bijdragen aan de Bob Evers Nieuwsbrief levert, kan zich heel wat narigheid op de hals halen. Laat ik nu in het nummer van januari 1996 hebben beschreven hoe ik de basis had gelegd voor mijn eerste eigen Bob Evers-verhaal, dat Amok met een Amerikaan zou gaan heten. Ja, ik ben het met u eens: absoluut een pakkende titel. Het vervelende was alleen dat het niet méér was dan een titel en dat het bijbehorende boek nog in geen velden of wegen te bekennen viel. Of preciezer gezegd: ik had in de nieuwsbrief de eerste alinea geciteerd, waarin pa Roos zichzelf op een mooie juni-ochtend bij het scheren een forse jaap in zijn linkerwang bezorgt en als gevolg van de inspanningen die nodig zijn om de daaruit voortvloeiende bloedstroom te stelpen, in combinatie met een verkeersopstopping die zelfs voor Amsterdamse begrippen uitzonderlijk was, twintig minuten te laat op zijn kantoor aan de Prins Hendrikkade arriveert – wat hem nog nooit eerder was gebeurd.

Die unieke tijdsoverschrijding blijkt de opmaat naar een dag die significant afwijkt van de gemiddelde redersdag. Ga maar na:

  • om acht uur belt ma Roos dat hij in de verwarring rond het scheerincident zijn boterhammen voor tussen de middag thuis heeft laten liggen;
  • om negen uur vindt hij bij de post van die ochtend een schrijven van de rijkspolitie Zeeland, rayon Zuid Beveland, waarin hem wordt gevraagd op zekere datum op het bureau te Kruiningen te verschijnen teneinde zich te verantwoorden inzake wat wordt omschreven als 'bevreemdend nachtelijk gedrag op het terrein van akkerbouwer Wisse alhier';
  • en weer een uur later dient zich volkomen onverwacht een oude vriend aan, die hem vertelt dat hij zich serieus bedreigd voelt door een Amerikaanse zakenrelatie en daarom via vader Roos de hulp van de drie vrienden als tijdelijke lijfwacht inroept.
Voorwaar, een fraai en veelbelovend begin van een waardig Evers-avontuur. Maar verder was ik echt nog niet gekomen.

De nieuwsbrief met de aankondiging van mijn dus nog in zeer rudimentaire vorm verkerende verhaal was koud bij de lezers gearriveerd of ik kreeg de eerste vragen al. Of ik kon zeggen wie die amokmakende Amerikaan was. Of de jongens ook bij mij werden gekidnapt, gebonden en tijdelijk opgeborgen in afgelegen schuurtjes of levensgevaarlijke kelders. Of ze nu eindelijk aan seks gingen doen. Allemaal vriendelijk bedoeld, maar toch met een gemeenschappelijke ondertoon: ik moest echt opschieten met dat boek, first things kwamen tenslotte first en ik begreep toch wel dat een dergelijke aankondiging verplichtingen meebracht? Ik antwoordde alle vragenstellers zoals een professionele afhouder doet: dat ik er druk mee bezig was, dat het allemaal lekker opschoot, dat ik goede hoop had de klus binnen afzienbare tijd af te ronden, enzovoort. De simpele waarheid was echter dat ik door een combinatie van omstandigheden nog steeds geen letter op papier had staan – die ene alinea uitgezonderd.

Geruime tijd kon ik het onheil op deze manier van me afhouden. Er belde nog wel eens iemand, ik kreeg nog wel eens een e-mail – maar men had kennelijk begrepen dat een auteur tijd nodig heeft om tot zijn schriftelijke daden te komen. Op enig moment begon de stroom hoe-staat-het-ermee-vragen echter weer aan te zwellen. Aanvankelijk nog begrijpend en aanmoedigend, later onmiskenbaar dwingender en minder vrijblijvend van toonzetting. Bedreigingen zou ik het niet willen noemen, maar de boodschap was toch niet mis te verstaan: wij willen Amok met een Amerikaan lezen en daar willen wij niet lang meer op wachten. Kennelijk drong de diepgang van dit verlangen onvoldoende tot me door, anders was ik er wel op verdacht geweest dat er mogelijk iets onvoorziens zou kunnen gebeuren. Nu kwam het volslagen onverwacht uit de strakblauwe hemel vallen.

Op een zaterdagmiddag had ik in een boekwinkel een krant gekocht en liep ik in een parkje in mijn woonplaats, op zoek naar een rustig bankje, toen ik opeens achter me het zachte kraken van voetzolen op het gruis van het pad hoorde. Een paar mannen probeerden me in te halen en ik ging wat meer naar rechts lopen om ze de kans te geven me te passeren. 'Grijp hem,' hoorde ik opeens een stem achter me roepen. Voor ik wist wat er gebeurde sloot zich een grote, warme hand over mijn mond. Ik probeerde te schreeuwen, maar de mannen verstonden hun vak. Ik kreeg een doek om mijn ogen geslagen, twee duimen drukten aan weerszijden mijn tanden van elkaar en er werd een prop in mijn mond geduwd. Daarna werd ik opgetild en weggedragen, waarbij ik merkte dat mijn ontvoerders met z'n drieën waren. Ze sleepten me in een drafje door enkele struiken en ik hoorde het klikken van een autoportier. Bepaald niet zachtzinnig werd ik naar binnen geduwd, waarna de auto direct wegreed. Zelden in mijn leven heb ik me zo overrompeld gevoeld. Wat moest dit geboefte van me?

Het antwoord bleef niet lang uit. Tenminste, als je een uur geblinddoekt en met een kleffe prop in je mond in een auto rijden, in onbekend gezelschap en met onbekende bestemming, niet lang vindt. Maar toen stopten we, ik werd uitgeladen en ergens binnengebracht. Via een trap transporteerde men me naar de eerste verdieping, ik kreeg een duw en achter me werd een deur gesloten. Na enig rukken slaagde ik erin me van mijn blinddoek te ontdoen. Mijn verbazing was groot. Ik bleek mij te bevinden in een kraakzindelijke hotelkamer, voorzien van stromend water, een bed, een bureau, een bureaustoel en een computer. Nu is mijn brein net iets groter dan dat van een uit de kluiten gewassen garnaal, dus ik begreep al gauw wie mij deze streek geleverd had. Het verlangen naar een echte Bob Evers is een aantal mensen naar het hoofd gestegen, moest ik concluderen. Ze hebben hun geduld verloren en zijn zelf amok gaan maken. Maar één ding mag ik toch hopen en dat is dat we hier níet in Meppel zijn.

We wáren in Meppel. 'Dat leek ons de beste plaats,' zei de man die mij tien minuten later bezocht. Hij had een nylonkous over zijn hoofd gestroopt, maar je moest wel stekeblind zijn om niet Ton Kleppe te herkennen. Ik complimenteerde hem met de vakkundige kidnapactie en luisterde geboeid naar zijn toelichting. 'Ja, we moesten wel. Als je nu wat meer haast had gemaakt, maar we kregen de indruk dat je ons aan het lijntje hield. Dan maar de beuk erin, dachten we. Je moet hier blijven tot het boek af is. Elke avond om acht uur komen we je productie van die dag ophalen.' En daarna, op een toon alsof hij daarmee alles goedmaakte: 'Wij, het Bob Evers Genootschap, nemen de kosten van deze tijdelijke locatie voor onze rekening. En we zijn niet kinderachtig: één keer per week zorgen we voor leuk damesbezoek.'

Nu ben ik nooit te beroerd om me voor een goede zaak in te zetten. Bovendien, wie wordt niet opgewonden van het vooruitzicht een avondje te kunnen wildebrassen met de Meppelse variant van Vera Vitella of Tootsie Griff? Ik besloot aan het werk te gaan. Thuis konden ze me wel even missen. De volgende ochtend stond ik vroeg op, liet een ontbijt aanrukken alsof ik in hotel Transatlantique logeerde en toog welgemoed aan de slag. Ik had me voorgenomen het klusje voortvarend aan te pakken, want het moest allemaal niet te lang gaan duren. En had ik mezelf met die al bestaande ene alinea niet een vliegende start bezorgd?

Het is nooit leuk om je eigen falen te moeten toegeven, maar er zit niets anders op. Het werd een deceptie. Na enkele dagen ploeteren drong het langzaam maar onherroepelijk tot me door: om een Bob Evers te schrijven moet je Willy van der Heide heten. Ik pruttelde nog wat door, maar na vier dagen barstte de bom. Mijn kidnappers zagen het hopeloze van mijn en hun inspanningen in en kieperden me zonder pardon het hotel uit. Mopperend en teleurgesteld – want van het beloofde damesbezoek was natuurlijk ook niets terechtgekomen – probeerde ik op straat mijn hoofd weer helder te krijgen. Het kostte enige moeite, maar toen besloot ik mijn tijdelijke verbanning van de zonnige kant te bekijken. Amok met een Amerikaan zou dan wel eeuwig een titel zonder boek blijven, maar mooi dat ik nu eindelijk eens de kans had om gezellig in Meppel te gaan winkelen. Tenslotte kun je daar het beste jaeger-ondergoed krijgen dat er bestaat.

(Tekst uitgesproken op de bijeenkomst ter gelegenheid van de verschijning van deel 50 op zaterdag 4 oktober 2003 te Mijnsheerenland)


Naar de volgende pagina van deze Nieuwsbrief
Naar de inhoudsopgave van deze Nieuwsbrief
Naar het overzicht van alle nieuwsbrieven
Naar de index op de Nieuwsbrief
Naar het site-overzicht