home  -  tijd in BEeld  -  bibliografie  -  werken  -  feuilleton  -  nieuwsbrief  -  de media  -  zeijlstra  -  zeerust  -  diversen

laatste wijziging van deze pagina 17/12/2014
reacties en suggesties: e-mail naar simon kuipers  
Terug naar de
vorige pagina

"Lawaai in Luxemburg" 
door René Verhulst

Jacht op Breitstein
 

Jan kende zo langzamerhand iedere vierkante meter van het plein voor station Ettelbruck. Nadat hij door de kampeerder was afgezet, was hij naar het café gelopen. Dat bleek dicht te zijn. Ook op kloppen werd niet opengedaan. De schrik zat er vanwege de gebeurtenissen van die middag zeker goed in. 
Na wat heen en weer gelopen te hebben was hij maar in de vensterbank van het café gaan zitten. Hij voelde zich moe, hongerig en nat en keek naar zijn bemodderde broekspijpen. Een zwerfhond had er al een paar keer aan gesnuffeld en was door Jan weggejaagd. Het ergste vond hij nog dat hij een D-treinbiljet in zijn binnenzak had dat waardeloos was. Op het station had hij gezien dat er deze dag geen D- trein meer via Ettelbruck naar Luxemburg zou gaan en een lokale boemel zou hem geld kosten. 

Twee auto's stopten. Uit een ervan stak een rood hoofd. 
'Jan,' kreet Arie. 'Deze kant op.' 
Jan werd meteen omringd door nieuwsgierige gezichten. 'Ik doe voorlopig geen stap meer en ik wil een warm bad.' 
'Vergeet Bierkoop maar, we hebben nu wat anders te doen.' 
Jan ging in een van de auto's zitten en deed zijn verhaal. Zonder in de rede gevallen te worden deed hij kort en bondig verslag van het gebeurde. Toen hij bij Breitstein kwam, dook Arie de auto in en pakte de FBI dossiers, die hij had meegenomen. 
'Ja, het is 'm, kijk maar hier.' Arie vertelde Don van hun ervaringen met Breitstein in de Kalahariwoestijn. 
Don knorde en zei: 'Dat dit heerschap gevaarlijk is, wisten we al. De vraag is: waar is hij nu? Je hebt het goed gedaan jongen,' zei hij tegen Jan. 'Meer kon je ook niet doen bij die ruïne.' 
Hij gaf zijn orders. 'Mulder, jij rijdt met Arie en Jan naar Luxemburg stad. Zoek een hotel in het centrum, meld dit aan Diekirch en wacht tot ik contact opneem. Hank, Ron, Bob en ik rijden naar de ruïne van Bourscheid. De koperdraad interesseert me, misschien hebben ze daar een zender.' 
Jan en Arie keken elkaar teleurgesteld aan. Zij naar Luxemburg en Bob met de FBI mee op pad. Maar Don duldde geen tegenspraak. 
De Ford met hem en de drie anderen maakte een U-bocht en verdween richting Bourscheid. Jan en Arie stapten bij Mulder in de Opel Kapitein. 
'Ik had het anders aangepakt,' zei Arie. 'Alleen in Bourscheid is het spoor weer op te pakken. En waarom gaat er geen internationaal opsporingsbevel uit?' 
'Daar hebben ze misschien hun redenen voor,' antwoordde Jan. 'Ik kan me voorstellen dat ze er zo weinig mogelijk mensen in willen betrekken. Die jongens van het leger opereren hier eigenlijk op vreemd grondgebied.' 
'Kan het in het Engels?' vroeg Mulder. 'Anders kan ik jullie niet verstaan.' 
Arie en Jan zeiden niets meer en dommelden wat weg. 
Opeens hoorde Jan een geknaag alsof er een rat in de auto zat. Hij keek opzij en zag Arie boven een papieren zak een stuk brood eten. 
'Jij vuil monster,' riep Jan. 'Geef mij wat, ik heb nog niks gehad!' 
'Je had toch in de trein gegeten?' zei Arie. 'Ik dacht dat je geen honger had.' 
Jan slikte van nijd. 'Jij bent al vet genoeg, teer maar op je reserves, geef me wat!' Arie reikte hem een broodje met ei toe. Jan at het broodje en keek ondertussen uit het raampje van de Opel. 
'Stop!' riep hij opeens. 'Daar staat de bestelbus!' 
Mulder remde en stopte in de berm van de weg. Alle drie keken ze tegelijkertijd naar achter. 
'Weet je het zeker?' vroeg Mulder. 
'Wis en waarachtig!' zei Jan. 'Zou ik die bus niet herkennen? Ik heb er met m'n neus een half uur bovenop gestaan!' 
De bus stond bij een benzinepomp tussen de pompen en de garage in. Hij stond daar eerder geparkeerd dan dat je zou denken om te tanken. Mulder reed een stukje door, draaide de Opel en reed vervolgens langzaam terug langs de benzinepomp. 
'Geen mens te zien,' zei Arie. 
Mulder draaide weer en ze stonden nu honderd meter voor de benzinepomp. 
'Er op af!' zei Arie. 
'Wacht even,' zei Mulder. 'Eerst even zien of er wat gebeurt.' 
Zijn ogen speurden de omgeving af. Geen enkele beweging bij het tankstation. Ook in de glazen Kiosk tussen de pompen in was niets te zien. 'Het tankstation lijkt dicht.' Dat zou gezien het tijdstip, het was in het begin van de avond, ook kunnen. 
Mulder haalde een pistool uit zijn binnenzak. 'Arie, jij loopt om de garage heen en loopt van die kant naar de bus toe. Ik kom van de andere kant, we trekken tegelijk de deuren van de cabine open. Jan, hier heb jij een pistool. Jij dekt ons van achter de Kiosk. Kom, we lopen er langs de berm naar toe.' 
Arie en Jan keken elkaar aan. Tot dusver kenden zij Mulder als iemand die zuinig was op zijn kleren en orders van Don aannam. Maar hij was wel degelijk tot iets in staat. 
Ze sprongen de auto uit. Arie liep vanaf de auto meteen naar rechts. Gebukt half in de lage berm lopend kwam hij uit bij de zijmuur van de garage. Er lagen hopen bakstenen en dakpannen. Enkele stapels autobanden omzeilend en er terdege voor wakend niet tegen daar rondslingerende lege olieblikken en jerrycans te trappen’, sloop Arie langs de muur naar voren. Hij kwam uit bij voorkant van de garage. De bus stond nu zo'n vijftien meter van hem vandaan. Nog steeds niets te zien. 
Mulder naderde van de andere kant. Hij had het moeilijkste deel. De grote man liep soepel en snel met het pistool voortdurend op de bus gericht. Hij hield de benzinepompen tussen hem en de bus in. Bij de pomp het dichtste bij de bus stopte Mulder en keek naar Arie en Jan. Jan lag op zijn buik, vijf meter achter Mulder achter de kiosk en hield de bus onder schot. 
Mulder knikte en hij en Arie stormden naar voren. Mulder gooide de deur aan de bestuurderskant open en keek recht in het gezicht van Arie die het portier aan de andere kant opende. Arie knipperde niet eens met de ogen ondanks het op hem gerichte pistool van Mulder. De cabine was leeg. 
Mulder en Arie keken achterom. Jan was, toen hij gezien had dat Arie en Mulder niemand aantroffen naar de achterkant van de bus gelopen en trok de hem zo bekende achterdeuren open. Er stond een vaste bank aan een van de zijwanden in, verder was de laadruimte op een paar kartonnen en wat touw na leeg. Mulder en Arie liepen ook naar de achterkant en keken in de bus. 
'Voor de derde keer mis deze dag', zei Jan vanuit de laadruimte. Hij schopte tegen de kartonnen en keek of er verder nog iets lag. 'Daar komt iemand aan,' siste Arie. 
Mulder drukte zich tegen de auto en pakte zijn pistool weer tevoorschijn. Hij deed een stap opzij en zag tussen de bus en het woonhuis naast de garage iemand aan komen lopen. Het was Wolfgang, die bij het zien van het pistool snel de handen omhoog stak. 
Mulder borg het pistool weg. De garagehouder zag er nu niet bepaald als een schurk uit. 
'Wat doet u in mijn bus?' vroeg Wolfgang. Hij trilde wat en zijn stem beefde. Ook had hij nog steeds zijn handen omhoog. 
'Uw bus?' zei Mulder. 'Weet u dat er met deze bus een misdrijf is gepleegd?' 
Mulder gaf bewust een wat officieel tintje aan zijn optreden. Zoals Jan al eerder dacht kon hij als Amerikaan van de Militaire Inlichtingendienst in Luxemburg weinig officieels ondernemen. Maar Mulder had natuurlijk geen zin om de politie van Mersch erin te betrekken. 
'Een misdrijf,' stamelde Wolfgang, terwijl hij eindelijk zijn armen liet zakken. 'Hebben die twee heren een aanrijding gehad of zo?' 
Mulder liep dichter naar hem toe, op de voet gevolgd door Arie en Jan, die uit de laadruimte sprong. 'Zagen die heren er zo uit?' 
Jan beschreef Breitstein en zijn maat en werd aangevuld door Mulder die de dossiers goed bleek te kennen. 
'Inderdaad, dat zijn ze,' zei Wolfgang. 'Maar wat hebben ze gedaan?' 
'Waar zijn ze nu?' vroeg Mulder. 'We moeten ze dringend hebben.' 
'Ik was geïnteresseerd in deze Lomas,' zei Wolfgang. 'Toen ik dat liet merken zei een van hen dat hij de auto wel wilde verkopen, maar dat ik dan voor een andere moest zorgen. In de garage had ik een Glas Isar staan en die wilden ze graag hebben. Daar moest wel geld bij, maar dat was geen probleem. Ze hebben me ter plekke 500 Duitse Marken betaald. Ik heb ze nog in m'n zak,' en hij liet een rol bankbiljetten zien. 
'Wat is dat voor een auto?' vroeg Mulder. 'Die ken ik niet.' 
'Lijkt op de Ford Anglia,' zei Jan, die dat soort dingen op een prikje wist. 'Bijna hetzelfde model.' 
'Ik heb er nog een staan,' zei Wolfgang. 'Lopen jullie maar even mee naar de garage.' 
Hij deed de schuifdeuren open en ze zagen een kleine werkplaats met daarachter wat auto's en motoren. Jan herkende een Britse Enfield en een degelijke prachtige donkergroene BSA. Inderdaad stond er ook nog een rood wit gestreepte Isar. 
'Het is een hobby van me,' vervolgde Wolfgang. Zijn hand wreef over het dak van de auto. 
'Ja, ja,' zei Mulder ongeduldig. 'Waar zijn ze heen gegaan? Hebben ze daar iets over gezegd?' 
'Ik weet het niet,' antwoordde Wolfgang. 'Wel moest ik de auto goed aftanken, want ze hadden een lange rit voor de boeg.' 
'Oké,' zei Mulder. 'Kom mee jongens, we weten nu in welke auto ze rijden en zij zullen niet vermoeden dat wij die wetenschap hebben. Eindelijk een meevaller!' 
Arie vroeg zich af of het een meevaller was, want hoe dacht Mulder straks in het donker Breitstein op te gaan sporen? Hij liep snel achter Mulder en Jan aan, die al naar de Opel onderweg waren.Toen ze optrokken en langs het tankstation reden, zagen ze een verbijsterde Wolfgang in de Kiosk staan. 

*     * 
   *


Bob en de anderen waren binnen 25 minuten bij de ruïne. Ze zagen de Kever staan, precies zoals door Jan verteld. De bus was weg, maar dat hadden ze wel verwacht. 
Hank stopte de auto naast de Kever. Don liep, gevolgd door Bob meteen naar de toren. Hank en Ron bekeken de Kever. 
'Ja, hier loopt de koperdraad,' ontdekte Don. Hij trok eraan maar de draad zat goed vast. 
'Deze kant op!' riep Bob, die verder was gelopen. 
Achter de toren leidde een oude stenen trap een aantal treden naar beneden. In een soort nis, waarschijnlijk een deel van een vroegere kelder lagen wat lege flessen en een oude paardendeken. Hier boven in de hoek, zag Bob, kwam de draad binnen. Don pakte een zwart geblakerd lampje van de grond op. 
'Ze hebben hier met een veldzender gezeten, ik denk een Radex aan deze gloeier te zien. Slim bedacht, want je kunt je zo snel verplaatsen. Het bereik is maar beperkt,' vervolgde Don. 'Hooguit twintig kilometer, ook vanaf deze heuvel. Dat betekent dat Breitstein zeer beweeglijk opereert, maar tegelijkertijd contact heeft met anderen hier in Luxemburg.' 
'Is er via die zender een aanknopingspunt te vinden?' opperde Bob. 
'Een Radex zet je zo in elkaar,' antwoordde Don. 'Spullen zijn bij iedere Army Dump te krijgen. Toen ik achter de linies opereerde hadden we zo'n ding in een oogwenk in en uit elkaar. Maar we proberen het.' Hij stak de gloeier in zijn zak. Ze liepen naar buiten. Het begon al te schemeren. 
'Waar zijn Hank en Ron?' vroeg Don. 
Er klonk een kreet uit de struiken rond de ruïne, rechts van hen. Hank wenkte Don en Bob. Vlug liepen ze er heen. Hank en Ron sleepten twee vastgebonden mannen uit het bos. 
'Die horen bij de Kever,' zei Don. De mannen werden losgemaakt en stonden wrijvend aan hun armen en benen op. 
Don sprak de oudste aan. 'Wie bent u?' 
'Schmidthuber,' zei de man. 'Mijn zoon en ik zijn ongeveer een uur geleden overvallen en hier neergelegd.' 
'Maak dat uzelf maar wijs, Kapitein Schmidthuber,' zei Don. Zijn gezicht stond strak. 'U dacht vandaag weg te komen, maar uw voormalige kameraden hebben u te pakken genomen. 
Schmidthuber haalde adem en vroeg; 'Wie bent u dan wel?' 
'Kolonel Don Ferguson, United States Army Intelligence,' zei Don.' In naam van de bondgenoten stel ik u onder arrest.' En tegen Hank en Ron: 'Voer hem af naar Diekirch, daar zullen we hem aan de tand voelen.' 
Hank en Ron liepen met Schmidthuber tussen hen in naar de Ford. 
'Ik ken de lijsten van de meest gezochte oorlogsmisdadigers uit mijn hoofd,' zei Don tegen Bob. 'Dit heerschap was betrokken bij goudtransporten van de Nazi's naar Zuid-Duitsland en mogelijk Zwitserland, zo vermoedden wij. Een handlanger van weer hogere heren die toen ze zagen dat ze de oorlog gingen verliezen hun schaapjes op het droge wilden krijgen. Mooie vangst. Breitstein zal het niet geweten hebben, anders had hij ze hier niet zo neergegooid.' Hij riep tegen de FBI agenten: 'We komen zo.' 
'Eerst die jongen,' fluisterde Don tegen Bob. 
De jongen keek met een trieste blik naar zijn vader die in de Ford zat. Don zei 'ga zitten.' Ze gingen met zijn drieën op een stuk muur zitten. 
'Vertel mij alles wat hier gebeurd is,' vervolgde Don. 'Ik kan je helpen en het doet de zaak van je vader geen kwaad.' 
Het verwarde verhaal van de jongen over wat er bij de ruïne gebeurd was, interesseerde Don nauwelijks. Breitstein bleek de twee bij het instappen in de bus beleefd geholpen te hebben om ze vervolgens een tik achter de oren gegeven te hebben. Daarna werden ze in de struiken wakker. 
'Hoe zijn jullie in contact gekomen met Breitstein?' vroeg Don. 
De jongen gaf geen antwoord. Don boog zich voorover en pakte een mes wat langs zijn scheenbeen zat. Het was voor Bob nauwelijks te volgen, maar in een flits van een beweging stond het mes op de keel van de jongen. 
'Ik zit nergens mee, dat moet je weten!' siste Don tegen de angstige jongen. 
Bob keek Don aan. De donkere ogen van Don gloeiden. Zijn gezicht stond weer strak. Bob begreep dat hij hier met iemand van doen had die andere methoden hanteerde dan de gewone politie en de FBI. 
'Die ouwe zal voorlopig weinig zeggen, dat weet ik zeker,' zei Don tegen Bob. Het mes op de keel houdend bij de jongen vroeg hij hem: 'Wat is je naam?' 
'Walter,' zei deze. 
'Ik herhaal, Walter, hoe is je vader in contact gekomen met zijn oude vrienden?' 
Hij drukte het mes nog iets verder in de keel van de jongen. Die begon heftig te slikken en het angstzweet liep van zijn gezicht. Bob kreeg zelfs medelijden met hem. De jongen begon moeizaam te praten.
'In Duitsland heeft iemand, ik weet echt niet wie...' 
'Ga door!' zei Don. 
'...verteld dat in Esch sur Sûre een reisbureau bestaat dat emigraties kan verzorgen.' Het laatste fluisterde hij bijna. 'Wij zijn daar naar toe gegaan en werden twee weken later gebeld om bij deze ruïne te komen en de reissom te betalen.' Het bleek nu dat Breitstein het koffertje met geld had meegenomen. 'Mijn vader zou vanaf hier, ik weet niet hoe, verder reizen.' 
'Dat kan kloppen met die zender,' dacht Don hardop. 'Esch is hier zo'n vijftien kilometer vandaan. Waar in Esch zit dat reisbureau voor misdadigers?' vroeg hij aan de jongen. 
'Wanneer je Esch binnenkomt, zie je twee hotels. Schuin tegenover het grootste hotel van de twee is een kleine kruidenierswinkel,' antwoordde de jongen. 'Daar moet je zijn.' 
Don gaf snel orders. 'Hank en Ron, jullie nemen deze twee mee naar Diekirch. Zet ze vast en wacht tot ik kom om ze verder te ondervragen. Bob en ik pakken deze Kever wel.' 
Ongevraagd gaf Walter hem snel de sleutels. De FBI agenten wenkten Walter, die op een sukkeldrafje naar hen toeliep. Hij werd naast zijn vader in de Ford gezet. Hank stapte achter het stuur en reed snel weg. 
Het viel Bob op dat zodra Don, Kolonel Ferguson wist hij nu, meer informatie wilde, de FBI agenten er buiten werden gehouden. Aan de andere kant, ze pikten dat, dus was dat blijkbaar de afspraak. Bob ging zich er in ieder geval niet druk om maken. 
'Kom mee Bob,' zei Don.'Wij gaan een kijkje nemen in Esch-sur-Sûre. Het wordt al wel donker, maar des te beter. Met deze Kever vallen we al helemaal niet op.' 
De Kever sloeg direct aan, Don draaide en reed de heuvel af. Inderdaad was het al donker. De lichtbundels van de Kever priemden in de struiken langs de weg. 
Bij de brug over de Sûre gingen ze naar links en volgden de rivier weer. Bob draaide het raampje open voor wat frisse lucht. Het kenmerkende hoge motorgeluid van de Volkswagen werd nog eens versterkt door de rotswand waarlangs ze reden.
 
 

 

© René Verhulst 1998